3. JEUGDRECLASSERING.
Aanhouding.
De politie neemt iemand mee naar het politiebureau, omdat ze denkt dat deze persoon iets gedaan heeft wat niet mag.
Advocaat.
Iemand die alles van de wet weet. Als je iets gedaan hebt wat niet mag van de wet en je krijgt een strafproces dan wordt je altijd geholpen door een advocaat. Hij of zij praat bijvoorbeeld met de rechter tijdens een zitting. Hij of zij weet precies hoe alles volgens de wet moet.
Beschikking.
Een rapport waarin staat welke straf (vonnis) de rechter opgelegd heeft omdat iemand iets gedaan heeft wat verboden is door de wet.
Delict.
Iets dat niet mag van de wet.
Detentie.
Opgesloten worden in een (jeugd)gevangenis.
Fouilleren.
Kijken en voelen wat iemand bij zich heeft.
Getuige.
Een persoon die heeft gezien dat er iets gebeurd is. Deze mensen zijn vaak toevallig in de buurt. Een getuige moet de waarheid vertellen. Hij/zij vertelt aan de politie of rechter wat hij/zij gezien heeft.
Griffier.
Iemand die in de rechtszaal alles opschrijft wat belangrijk is. Hierdoor is later altijd duidelijk is wat er gezegd is tijdens een zitting.
In bewaring stelling.
De Rechter Commissaris beslist dat iemand 10 dagen vast moet blijven zitten. Na tien dagen komt iemand dan weer voor een andere rechter.
In verzekering stelling.
De politie houdt de jongere vast in de politiecel omdat ze denkt dat hij/zij iets verkeerds gedaan heeft. Dit kan maximaal 3 dagen duren.
JR = Jeugdreclassering.
De jeugdreclassering helpt jongeren om zich aan de wet te houden. Het gaat om jongeren die iets gedaan hebben dat niet mag. Er is één persoon, de jeugd-reclasseringswerker, die met de jongere praat. Deze gesprekken zijn verplicht.
Jeugdstrafrecht.
Dit is het recht dat voor jongeren geldt tot 18 jaar oud. Iedereen tussen 12 en 18 jaar die iets doet dat niet mag, kan vervolgd worden. Na je 18e verjaardag gaat het volwassen recht gelden.
Jeugdreclasseringswerker.
De persoon die met de jongere praat en hem/haar begeleidt. Die de jongere helpt om zaken op orde te krijgen, zodat hij/zij niet meer met politie of justitie te maken
krijgt. De jongere moet zich aan de afspraken met de jeugdreclasseringswerker houden.
JJI = Justitiële Jeugdinrichting.
Jeugdgevangenis. De deur van de gevangenis is gesloten. Je kan er niet uit zonder toestemming van de rechter.
Kans op recidive.
De kans dat iemand die al eens iets gedaan heeft wat niet mag, dit nóg een keer gaat doen. Dit kan een kleine kans zijn, maar ook een grote.
Kinderrechter.
Een rechter speciaal voor kinderen of jongeren onder de 18. Als een jongere ervan verdacht wordt iets te hebben gedaan dat niet mag van de wet, beslist een kinderrechter of hier genoeg bewijs voor is. Een kinderrechter beslist ook of de jongere straf krijgt en welke straf. (Zie ook hoofdstuk 1: jeugdbescherming).
Leerstraf.
Een straf waar iemand iets van leert, een soort cursus. De leerstraf is bedoeld om ervoor te zorgen dat iemand die iets gedaan heeft dat tegen de wet is, dit niet nog een keer gaat doen.
Officier van Justitie.
De persoon op de rechtbank die vertelt waarom de politie de jongere heeft opgepakt en wat er moet gebeuren.
Ondertoezichtelling.
Zie hoofdstuk 1: Jeugdbescherming
Onherroepelijk geworden.
Als iemand niet in hoger beroep gaat tegen de uitspraak van de kinderrechter of er zijn twee weken voorbij (na de strafzaak) dan moet die persoon de straf uitvoeren die de kinderrechter heeft opgelegd.
Onvoorwaardelijke straf.
De straf die de kinderrechter uitspreekt en die de jongere moet uitvoeren.
Parketpolitie.
Zie hoofdstuk 1: jeugdbescherming.
PIJ = Plaatsing in een Jeugdinrichting.
Verplichte plaatsing in een jeugdinrichting.Tijdens een PIJ krijgt de jongere de kans om te leren (onder andere door verplichte behandeling) zich anders te gedragen, een diploma te halen en niet meer in de problemen te komen. Een PIJ kan steeds verlengd worden. Hij kan worden opgelegd door de rechter.
Plan van Aanpak.
Het verslag van de jeugdreclasseringswerker over hoe het gaat en wat er moet veranderen.
Hier staan ook alle afspraken in.
Politiecel.
De kamer waarin je op het politiebureau moet verblijven als je bent opgepakt. De deur zit op slot.
Proeftijd.
Tijd waarin iemand die voorwaardelijk veroordeeld is extra straf krijgt als hij/zij weer iets doet dat niet mag. De voorwaardelijke straf wordt dan alsnog uitgevoerd.
Raadsonderzoek.
Het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming over de jongere. Hierin onderzoekt de Raad voor de Kinderbescherming wat de jongere gedaan heeft en hoe het met de jongere gaat. Op school, thuis, bij vrienden. Daarna bedenkt de Raad voor de Kinderbescherming wat er gedaan
moet worden om de jongere te helpen om zich aan de wet te houden. Soms kan dit een straf zijn. Soms is dit begeleiding. Of beiden. (Zie ook hoofdstuk 1: jeugdbescherming)
Raadsonderzoeker.
De persoon die het raadsonderzoek doet.
Raadsrapportage.
Verslag van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
Raad voor de kinderbescherming.
Zie hoofdstuk 1: jeugdbescherming.
Raadkamer.
Een zitting bij de rechtbank waarbij drie kinderrechters beslissen of een jongere vrij komt of nog langer vast moet blijven zitten.
Recidive.
Als je nog een keer iets doet waar je al voor gestraft bent (herhaling).
Risicotaxatie.
Onderzoek naar hoe groot de kans is dat iemand iets doet wat door de wet verboden is.
Schorsende voorwaarden.
Regels waaraan iemand zich moet houden als hij of zij van de rechter naar huis mag, voordat de strafzitting is geweest. Meestal zijn dit dingen als naar school gaan, op tijd thuis komen en dat je je aan afspraken met de jeugdreclassering moet houden.
Schorsing.
Iemand wordt vrijgelaten uit de gevangenis, maar moet nog wel een keer naar de rechtbank om te horen welke straf hij/zij krijgt. Bij de schorsing gelden meestal voorwaarden waar je je aan moet houden. Als je je er niet aan houdt, moet je alsnog zitten.
Schuldig bevonden.
Iemand wordt schuldig bevonden aan een delict als de rechter tijdens een zitting vindt dat er voldoende bewijs is dat iemand iets gedaan heeft dat niet mag volgens de wet.
Slachtoffer.
De persoon die last, pijn of schade heeft van wat iemand heeft gedaan.
Sova-training = sociale vaardigheden training.
Een training waarbij gekeken wordt naar de dingen die goed en niet goed gaan in het leven van de jongere. De jongere leert hier om beter met anderen om te gaan. Hierdoor gaat het beter op bijv. school, stage of werk.
aan wat niet mag. Dit kan gevangenisstraf zijn, een leerstraf of een werkstraf.
Strafbaar feit.
Delict. Iets dat niet mag van de wet (politie).
Strafblad.
Het rapport in de computer van justitie waarop staat wanneer iemand zich niet aan de wet gehouden heeft en wat hij of zij heeft gedaan.
Strafzitting.
De bijeenkomst op de rechtbank waarbij de rechter beslist of iemand schuldig is en zo ja, welke straf hij/zij krijgt. Ook zijn de officier van justitie, de advocaat, de jeugdreclasseringswerker en vaak ook de ouders aanwezig. Iedereen mag iets zeggen over wat er gebeurd is en hoe het met de jongere gaat.
Taakstraf.
Een werkstaf of een leerstraf. Soms is een taakstraf een stukje van allebei.
Terugmelding (terugrapporteren).
Als de jongere zich niet gehouden heeft aan de afspraken met de jeugdreclasseringswerker
dan schrijft de werker een brief naar de officier van justitie dat het niet goed gaat met de jongere. De officier van justitie gaat dan kijken of de jongere weer voor de kinderrechter moet komen om hem/ haar opnieuw te straffen. De kinderrechter bepaalt uiteindelijk of dit echt moet gebeuren.
Tul = tenuitvoerlegging.
De jongere moet de opgelegde straf uitvoeren.
Verdachte.
Iemand waarvan gedacht wordt dat hij iets gedaan heeft dat niet mag. Pas als de kinderrechter vindt dat er genoeg bewijs is dat iemand het echt heeft gedaan is deze persoon schuldig.
Verhoor.
Gesprek bij de politie waarbij de politie alles wil weten wat er gebeurd is toen het strafbare feit gepleegd werd. De politie stelt dan veel vragen.
Verlof.
Als de jongere voor even uit de gevangenis mag, maar dan wel weer terug moet komen.
Bij een verlof is altijd afgesproken hoe lang het duurt (bijv. een paar uur of een halve dag).
Visiteren.
Een medewerker in de gevangenis bekijkt of de jongere iets bij zich heeft dat in de gevangenis verboden is. De jongere moet zich dan helemaal uitkleden zodat goed gekeken kan worden of hij/zij niets op /in zijn/haar lichaam verborgen houdt. Dit gebeurt als een jongere de gevangenis in gaat of terug komt van verlof.
Vonnis (zie beschikking).
Uitspraak van de rechter. In het vonnis staat
welke straf de jongere krijgt.
Ook staat er aan welke voorwaarden de
jongere zich moet houden.
Voorgeleiding.
De keer dat iemand bij de Rechter Commissaris moet komen in een strafzaak. Hij moet vanaf het politiebureau naar de Rechtbank. De rechter Commissaris bekijkt dan of de persoon op een goede manier is aangehouden en of alles volgens de wet is verlopen. Ook bepaalt de rechter Commissaris of de persoon naar huis mag of nog vast moet blijven zitten.
Voorwaardelijke detentie.
Een gevangenisstraf die aan iemand wordt opgelegd. Maar deze straf hoeft pas uitgevoerd te worden als deze persoon weer met politie in aanraking komt of zich niet aan de regels houdt. Het is eigenlijk een flinke waarschuwing van de kinderrechter waarbij hij de persoon laat weten wat er gebeurt als hij/zij weer met politie in aanraking komt.
Voorwaardelijke straf.
Een straf die wordt opgelegd, maar niet hoeft te worden uitgevoerd als de persoon zich binnen de proeftijd aan de wet houdt. Het is eigenlijk een fl inke waarschuwing van de rechter wat er gebeurt als deze persoon weer iets doet dat tegen de wet is.
Vroeghulp.
Het bezoek van een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming als de jongere net in de politiecel zit. Deze medewerker schrijft een verslag over de jongere (raadsonderzoek).
Werkstraf.
Straf die eruit bestaat dat werk gedaan wordt zonder betaling. De Raad voor de Kinderbescherming zegt welk soort werk de jongere moet doen, en waar. De kinderrechter zegt hoeveel uur de jongere moet werken.
© 2009 Expertisecentrum
William Schrikker
