1. JEUGDHULPVERLENING.

Ambulante hulpverlening.
Hulp die bij het kind thuis komt, in het gezin.

Begeleide bezoekregeling.
Afspraak dat er iemand bij is als een kind bezoek krijgt. Dit kan een hulpverlener zijn, maar ook een gezinsvoogd.

Begeleiding.
Hulp bij bepaalde problemen.

Behandeling.

Specifieke hulp voor specifieke problemen.

Behandelovereenkomst.
Papier waarop staat hoe de behandeling eruit ziet en welke afspraken er gemaakt worden.

Besloten behandeling.
Behandeling waarbij het kind of de jongere niet thuis woont. De persoon woont in een huis (een groep). Er vindt behandeling plaats en hij/zij mag alleen naar buiten als hierover afspraken zijn gemaakt met de groepsleiding.

Bezoekregeling.
Afspraak over wie het kind of jongere komt bezoeken en hoe vaak, hoe lang en waar het bezoek komt.

Crisiscentrum of crisishuis.
Plek waar kinderen of jongeren naar toe gaan als ze plotseling niet meer thuis kunnen wonen. Het gaat vaak om een noodsituatie.

Diagnose.
Beschrijving wat er aan de hand is met een persoon die een probleem heeft.

Gezinshuis.
Huis waar mensen wonen (gezinshuisouders)
die samen voor kinderen of jongeren zorgen die niet thuis kunnen wonen. Soms hebben de gezinshuisouders zelf ook kinderen.

Groepsleiding.
Mensen die zorgen voor de kinderen of jongeren die op een groep wonen. Zij doen dit als hun werk.

Hulpverleningsplan (Plan van Aanpak).
Papier waarop staat hoe het gaat met een kind of jongere en wat er moet gebeuren om het beter te laten gaan. Hier staan ook de afspraken op.

Indicatie-aanvraag.
Papier waarmee hulp wordt aangevraagd. Er staat in hoe die hulp eruit moet zien. Een commissie (een groep mensen) beslist of de hulp kan worden gegeven.

Indicatie-besluit.
Papier waarop staat dat iemand bepaalde hulp mag krijgen. Hierop staat precies hoeveel hulp die persoon krijgt en hoe lang die kan duren.

Intelligentie.
Hoe snel en makkelijk je iets kan begrijpen. Iemand met een hoge intelligentie begrijpt iets sneller dan iemand met een lage intelligentie.

Intelligentie Quotiënt (IQ).
Een getal dat zegt hoe snel en makkelijk iemand kan leren. Een hoog getal (bijvoorbeeld 120) betekent dat je snel en goed kan leren. Een lager getal (bijvoorbeeld 70) betekent dat leren moeilijker en langzamer gaat.

Intelligentie-onderzoek (IQ).
Onderzoek naar hoe goed iemand leert. Hierbij wordt een IQ-cijfer vast gesteld. Als die persoon onder de 18 is, is zo’n cijfer maximaal twee jaar geldig.

Lichte verstandelijke beperking.
Iemand met een lichte verstandelijke beperking leert niet zo makkelijk en snel.

Netwerk.
Bekenden, familie, vrienden of buren.

Orthopedagogisch Behandel Centrum (OCB).
Huis waar kinderen wonen en waar ze hulp krijgen. Hier wonen meestal kinderen die moeilijk leren.

Ouderbegeleider.
Iemand die ouders helpt om beter met hun kind om te gaan.

Pedagogische hulpverlening.
Hulp bij het opvoeden en verzorgen van kinderen. Meestal iemand die de ouders hierbij thuis helpt.

Pleeggezin.
Gezin waar kinderen wonen die niet thuis kunnen wonen.

Pleegkind.
Kind dat in een pleeggezin opgroeit.

Pleegouder.
Volwassene die een pleegkind opvoedt.

Pleegzorgwerker.
Iemand die met pleegkinderen en pleegouders praat over de verzorging en opvoeding. Hij/zij heeft hiervoor doorgeleerd.

Psychiatrisch onderzoek.
Onderzoek door een psychiater. Een psychiater mag een diagnose stellen en medicijnen voorschrijven.

Psychologisch onderzoek.
Onderzoek door een psycholoog.Dit wordt opgeschreven in een rapport.

Schuldhulpverlening.
Hulp bij het aflossen van schulden. Hulp bij het leren niet (opnieuw) schulden te maken.

Thuiszorg.
Hulp bij het zelf schoon maken en op orde te houden van het huishouden.

Wachtlijst.
Lijst waarop de namen staan van kinderen die allemaal wachten op bepaalde hulp. Hoe hoger iemand op de lijst staat, hoe eerder deze persoon aan de beurt is.

© 2009 Expertisecentrum
William Schrikker